Zes factoren voor een actievere community

Gepubliceerd op 13/01/2015 door Kimberley in Interne social media, Onderzoek

In februari van 2014 publiceerden we een onderzoeksrapport over de stand van zaken van interne social media in Nederland. Van de bijna tachtig onderzochte organisaties bleek dat 77,6% een intern sociaal media platform heeft voor informatie-uitwisseling binnen de organisatie.

Op basis van het door ons ontwikkelde maturitymodel hebben we de deelnemende organisaties onderling vergeleken op de vier randvoorwaarden die nodig zijn om te komen tot een succesvolle duurzame interne community. Eén van deze randvoorwaarden is het gebruik – specifiek de mate waarin de interne social media gebruikt worden door medewerkers ten opzichte van het gewenste gebruik. Slechts in enkele gevallen bleek de gewenste doelgroep ook daadwerkelijk actief.

slider_factoren_adoptie

Bepalende factoren

Om deze materie echt goed te kunnen doorgronden en zo onze klanten beter te kunnen ondersteunen hebben we het afgelopen jaar, in samenwerking met Involve en de Universiteit Twente, onderzocht waarom medewerkers wel of juist geen gebruik maken van interne social media. Op basis van een uitgebreide literatuurstudie is vastgesteld welke dertien factoren een rol zouden kunnen spelen bij het adoptieproces. Vervolgens is het aantal factoren door middel van een pre-test onder communicatiespecialisten teruggebracht tot zeven factoren die naar verwachting het belangrijkst zijn. Daarna hebben we bij meerdere organisaties onderzocht welke van deze factoren daadwerkelijk impact hebben op de adoptie van interne social media.

Uiteindelijk hebben we, los van de context van de organisatie, zes factoren gevonden die significant zijn en daarmee dus voor ieder adoptieproces van interne social media van belang zijn:

  1. Verwachte prestatieverbetering; de mate waarin iemand ervaart of verwacht dat het gebruik van interne social media bijdraagt aan de dagelijkse werkzaamheden.
  2. Verwachte inspanning; de mate waarin iemand ervaart of verwacht dat het moeite kost om gebruik te maken van interne social media. Het gaat hier zowel om de techniek (‘hoe werkt het?’) als om tijd en gelegenheid.
  3. Reputatie; de mate waarin iemand ervaart of verwacht dat het gebruik van interne social media bijdraagt aan de eigen status binnen de organisatie.
  4. Gepercipieerd gebruik van collega’s; de mate waarin iemand ziet dat collega’s waar zij/hij offline mee samenwerkt ook actief zijn op interne social media.
  5. Gepercipieerd gebruik van leidinggevenden; de mate waarin iemand ziet dat directe leidinggevenden en hoger management (ook) actief zijn op interne social media.
  6. Normen voor samenwerking; de mate waarin iemand ervaart dat samenwerken en kennisdeling al gemeengoed zijn binnen de organisatie.

 

Opvallend was dat sommige factoren met elkaar samenhangen. Bijvoorbeeld: als iemand doorheeft hoe en waarvoor intern sociale media te gebruiken zijn (verwachte inspanning), is de kans groot dat dit de verwachte prestatieverbetering ten goede komt.

Hoewel al deze factoren een rol spelen in het adoptieproces, verschilt de mate van de impact van de afzonderlijke factoren per organisatie. Niet alle factoren zullen dus in elke organisatie in dezelfde mate belangrijk zijn. Zo zal in een sterk hiërarchisch gestuurde afdeling het gepercipieerd gebruik door leidinggevenden waarschijnlijk een dominantere rol spelen dan in een platte kennisorganisatie waar misschien reputatie juist weer belangrijk is.

Rapport & vervolgonderzoek

Onderzoek naar welke factoren in welke organisatorische context meer of minder impact hebben wordt momenteel in een vervolgstudie (wederom in samenwerking met de Universiteit Twente) nader onderzocht en zal later dit jaar verschijnen.

Voor vragen over het onderzoek kunt u contact opnemen met Peter Haan, directeur van Evolve.

Comments are closed.